Honymoon with kids (deel 4) – Het moment wanneer de schellen van je ogen vallen

Chinese feestdag in Penang

22 juli – Melakka

We werden ontvangen door Natascha en haar man Sam, een Indonesisch-Chinees-Maleisisch koppel met een vleugje Portugese roots (en nog drie andere nationaliteiten maar die ben ik vergeten). Een mix van achtergronden hebben ze. Typerend voor de inwoners van Melakka blijkt, én voor die van Penang, én die van Singapore. De verschillende godsdiensten leven hier naast elkaar, al eeuwen. Vijftig procent van de bevolking zijn Maleiers, de oorspronkelijke vissers en boeren van het land, die geloven in de islam. Daarnaast heb je dertig procent Chinezen (die in de 19e eeuw naar Maleisië werden gebracht door de Engelsen om op de plantages te werken) die het confucianisme, boeddhisme, taoïsme en het christendom aanhangen. Tot slot vind je in Maleisië nog zes procent Indiërs (die op dezelfde manier als de Chinezen in Maleisië terechtkwamen) die voornamelijk hindoe zijn en de kleurrijkste tempels van het land op hun conto kunnen schrijven.

De verschillende godsdiensten leven naast en met elkaar. Dat vertellen Natascha en Sam. De iftar vieren ze samen, kerst ook. Vrijdag blokkeren de moslims het centrum van Melakka, zondag de katholieken. Het eten dat in restaurants wordt geserveerd is halal, op zich toegankelijk voor elke godsdienst. En wie alcohol wil drinken op een trouwfeest kan dat, aan de katholieke tafel, aan de moslimtafel niet. Volgens Sam en Natascha is er wederzijds respect en moet dat van alle kanten komen. Klinkt logisch maar in België toch nog werk van lange adem, bedacht ik. Ik stel me het ideale eethuis voor, een plek met halal vlees, geen varken en lekkere vegan food. Een plek waar iedereen welkom is, waar een middenweg wordt gevonden tussen religieuze en persoonlijke eetvoorschriften, waar iedereen zich thuis voelt en samen aan tafel gaat.

10 augustus – Langkawi

En dan vallen de maskers af. “Maleisië is het meest racistische land dat ik ken”, zegt de man van het Britse koppel dat we op Tanjung Rhu beach leren kennen. Drie jaar geleden kwamen ze hier wonen. “Ik ben een lerares en kon in Engeland geen werk meer vinden. Dus zocht ik me een weg via International Schools. Er was plaats genoeg en nu heb ik het gevoel dat ik hier meer kan betekenen  dan in Engeland,” vertelt de vrouw. Ze ondervonden allebei dat racisme geïnstitutionaliseerd is. “De Maleiers krijgen jobs van de staat, diploma of niet, wat maakt dat mensen die geen voldoening vinden in die job, de boel laten aanmodderen,” vertelt de lerares verbolgen. “In mijn school ruimt het onderhoudspersoneel niet op. Het vuil blijft overal liggen. Daarbovenop geloven de kinderen dat Allah de aarde wel zal beschermen, dus zij ruimen ook niet op.”

Hoe langer we hier verblijven, hoe meer verhalen we horen die het vreedzame beeld dat Natascha en Sam ons voorhielden niet met stukjes afbreekt, maar aan gruzelementen slaat. Maleiers zijn hier de eersterangsburgers, Chinezen komen op de tweede plaats en Indiërs hebben het helemaal verkorven. De eerste man die onze ogen opent, is een Grab-chauffeur van Chinese afkomst, die ons in Penang naar de grote Kek Lok Si tempel brengt. “Het is goed dat jouw overheid geen moskeeën wil steunen. De moslims kweken als varkens. Eens aan de macht verbieden ze je alles. Toen Maleisië onafhankelijk werd in 1957 bestond de bevolking uit Maleiers, Chinezen en Indiërs. Toch blijven ze ons na 61 jaar nog steeds als tweede- en derderangsburgers zien.” Hij was kwaad en racistisch.

Wilson, die ons inwijdde in de wondere wereld van de theeceremonie, sprak gematigdere taal. Hij vereenzelvigde zich niet met de Chinezen, waar zijn familie van afstamde. Want die gedroegen zich luidruchtig en invasief. Hij beschouwde zichzelf als een rustige, gematigde, Chinese Maleier.

Het is een oefening die mensen wereldwijd halsstarrig blijven maken. “Van waar ben je oorspronkelijk?” Ja, maar wat is dan écht Maleisisch?” Ik trap in dezelfde val, op zoek naar de authenticiteit van het land.

“Wat je aantreft vandaag, dat is het. A mixture of cultures. Afhankelijk van waar je gaat, vind je andere gebruiken. Want elke regio heeft zijn eigen klimaat en taal.” Dat is wat de Indische Ruth ons vertelt wanneer we bij haar thuis gaan koken. Ze is een expat en behoort tot de gelukkige Indiërs van Kuala Lumpur. Hoewel, na 24 jaar te resideren, kreeg ze drie jaar geleden pas haar werkvergunning. Haar vijfentwintigjarige dochter diende net haar ontslag in. Na zes maanden werken voor een baas had ze nog steeds geen recht op een vergunning. “Ze denken dat wij tot de arbeidersklasse behoren, gewoon omdat we Indiërs zijn. Maar je moet niet luisteren naar wat anderen zeggen. Doe waarin je gelooft en je komt wel terecht,” sust de moeder haar dochter.